Belastingplan 2027: wat verandert er voor ondernemers, DGA’s en wie over de grens werkt
Het koffertje is weer geopend, en zoals elk jaar volgt daarna dezelfde stortvloed. Binnen een dag liggen er tientallen samenvattingen van het Belastingplan, waarin de accijns op bier met evenveel gewicht wordt behandeld als de heffing in box 2. Wie een onderneming drijft, er een houdt via een holding, of over de grens woont en werkt, heeft aan die volledigheid weinig. Die wil twee dingen weten: welke maatregelen raken mij, en bij welke daarvan maakt het uit of ik vóór of ná 1 januari in beweging kom.
Het Belastingplan 2027 is geen jaar van grote hervormingen. Het is een jaar van snoeien: een reeks oude aftrekposten voor zelfstandigen wordt afgebouwd, een paar faciliteiten worden bevroren in plaats van geïndexeerd, en een aantal rechterlijke uitspraken wordt in de wet vastgelegd. Maar tussen het snoeiwerk zitten een paar écht bruikbare veranderingen, van een innovatieboxforfait dat verviervoudigt tot een step-up voor aandeelhouders van vennootschappen die naar Nederland verhuizen. In deze blog zetten we op een rij wat er voor ondernemers, DGA’s en grensoverschrijdend actieve belastingplichtigen toe doet, en waar de timing het verschil maakt. Geen uitputtende opsomming van elk voorstel dus, maar een praktisch overzicht van wat vóór de jaarwisseling op je agenda hoort.
Inhoudsopgave
1. Tarieven en heffingskortingen: bovenin iets meer, onderin iets minder
2. Innovatiebox: het forfait wordt vier keer zo groot
3. IB-ondernemers: drie aftrekposten gaan de deur uit
4. Aandelenopties bij start-ups en scale-ups: pas belast bij verkoop, en dan over 65%
5. Fusie en splitsing: het driejaarsvermoeden verdwijnt
6. Lenen bij je eigen bv: de erfregeling gerepareerd
7. Vastgoed: overdrachtsbelasting op de tweede woning naar 7%
8. Werkgevers: kilometers, pensioen en de werkkostenregeling
9. Internationaal: een step-up bij aankomst, en de 30%-regeling wordt 27%
10. Wat je vóór 1 januari regelt, en wat je juist laat liggen
1. Tarieven en heffingskortingen: bovenin iets meer, onderin iets minder
De box 1-tarieven voor wie nog geen AOW ontvangt schuiven met de gebruikelijke kleine stapjes. De eerste schijf loopt naar verwachting tot € 39.247 tegen 36,23%, de tweede tot € 78.426 tegen 38,16%, en daarboven blijft het 49,50%. Vergeleken met 2026 is dat in de eerste twee schijven ongeveer een half procentpunt meer, deels gecompenseerd door een iets langere eerste schijf. Voor de meeste werknemers en voor de DGA op een gebruikelijk loon is het netto-effect bescheiden.
De heffingskortingen bewegen de andere kant op. De algemene heffingskorting stijgt naar maximaal € 3.154 en de arbeidskorting naar € 5.929, beide hoger dan in 2026. De inkomensafhankelijke combinatiekorting voor werkende ouders daalt juist, naar € 2.918, en staat nu officieel op een afbouwpad dat in 2035 eindigt met afschaffing. Wie er structureel op rekent, kan die korting beter niet meer als vast gegeven inboeken.
Eén eerder genomen besluit landt dit jaar ook. De zelfstandigenaftrek daalt opnieuw, van € 1.200 naar € 900. Op zichzelf een klein bedrag. In samenhang met paragraaf 3 is het onderdeel van een duidelijke lijn: het fiscale verschil tussen een eenmanszaak en een werknemer wordt aftrekpost voor aftrekpost dichtgeschroefd.
2. Innovatiebox: het forfait wordt vier keer zo groot
De innovatiebox belast winst uit zelf ontwikkelde immateriële activa tegen 9% in plaats van het gewone vennootschapsbelastingtarief. Voor kleinere bedrijven was het tarief nooit het probleem, de administratie wel: winst toerekenen aan een specifiek activum is duur, en bij enkele tienduizenden euro’s kwalificerende winst verdiende die exercitie zichzelf zelden terug. Het forfait bestond als alternatief, maar het plafond lag zo laag dat bijna niemand er moeite voor deed.
Dat verandert. Wie voor het forfait kiest, mag 25% van de winst aanmerken als innovatiewinst, en het maximumbedrag dat zo in de box kan vallen gaat van € 25.000 naar € 100.000 per jaar en per belastingplichtige. Het forfait geldt in het jaar waarin het activum ontstaat en in de twee jaren daarna. Voor een softwarebedrijf, een productontwikkelaar of een ingenieursbureau met een bescheiden octrooiportefeuille wordt een theoretische regeling daarmee een echte.
Twee dingen om in het oog te houden. Het forfait vervangt de gewone toerekening, dus bij grotere innovatiewinsten kan de volledige berekening alsnog gunstiger uitpakken. En hoort je groep onder de wereldwijde minimumbelasting, weet dan dat de innovatiebox niet onder de nieuwe veiligehavenregel voor stimuleringsregelingen valt, omdat die het inkomen volgt en niet de investering. In die situatie kan het 9%-tarief elders tot bijheffing leiden.
3. IB-ondernemers: drie aftrekposten gaan de deur uit
De startersaftrek is feitelijk verdwenen. Hij zakt op 1 januari 2027 van € 2.123 naar een symbolische € 10 en wordt in 2028 helemaal afgeschaft, zonder overgangsrecht voor wie al vóór 2027 is gestart. De willekeurige afschrijving voor starters stopt ook in 2028, en de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid volgt in 2029.
Twee andere aftrekposten worden ingezet als dekking voor iets anders. De meewerkaftrek, voor ondernemers van wie de partner onbetaald meewerkt, en de stakingsaftrek, die bij het stoppen een deel van de stakingswinst buiten de heffing houdt, worden eerst met ongeveer driekwart verlaagd en drie jaar later afgeschaft. De stakingsaftrek gaat van maximaal € 3.630 naar € 908. Rekende je daarop bij een geplande bedrijfsbeëindiging, dan is het de moeite waard om de timing daarvan nog eens tegen het licht te houden.
Samen met de krimpende zelfstandigenaftrek is de boodschap ondubbelzinnig. De resterende fiscale voordelen van de eenmanszaak worden uitgefaseerd, en voor een groeiende onderneming verdient de vergelijking met een bv een frisse blik in plaats van een overgeërfde aanname.
4. Aandelenopties bij start-ups en scale-ups: pas belast bij verkoop, en dan over 65%
Dit is de maatregel die met de vorige drie wordt betaald, en voor oprichters en hun eerste medewerkers is hij substantieel. Nu wordt een werknemer die aandelenopties krijgt in de regel belast zodra de aandelen verhandelbaar worden, of desgewenst al bij uitoefening, over de volle waarde van het voordeel. Dat levert het bekende probleem op: een aanslag over papieren vermogen terwijl er nog geen euro is ontvangen.
Voor werknemers van kwalificerende start-ups en scale-ups verschuift het heffingsmoment naar de daadwerkelijke verkoop van de aandelen, en wordt slechts 65% van het voordeel tot het loon gerekend. De belasting volgt dus het geld, en tegen een aanmerkelijk lagere effectieve druk. De regeling is beoogd vanaf 2027 en kent voorwaarden, waaronder in beginsel minimaal twee jaar tussen toekenning en verkoop.
Het overgangsrecht is ongewoon ruim en het vermelden waard voor iedereen die recent opties heeft toegekend. Opties die op of na 17 april 2025 zijn toegekend en eind 2026 nog niet in de loonbelasting zijn betrokken, kunnen onder de nieuwe regeling worden gebracht, mits de vereiste beschikking uiterlijk 31 december 2027 is aangevraagd. Heb je een start-up met een optieplan, dan is dat een datum voor de agenda.
5. Fusie en splitsing: het driejaarsvermoeden verdwijnt
Bij een bedrijfsfusie of splitsing hoeft niet direct te worden afgerekend, zolang de reorganisatie niet vooral is gericht op het ontgaan of uitstellen van belasting. Tot nu toe zat daar een vermoeden aan vast: wie een betrokken vennootschap binnen drie jaar aan een onafhankelijke koper verkocht, moest zelf aantonen dat er zakelijke redenen waren. De Hoge Raad oordeelde dat die omkering van de bewijslast in strijd is met het Europese recht, en het vermoeden wordt nu geschrapt. De inspecteur moet voortaan zelf een begin van bewijs leveren voordat de faciliteit ter discussie kan komen.
Inhoudelijk is dat goed nieuws, maar er zit een praktisch verlies aan vast. Omdat het vermoeden niet meer bestaat, geeft de Belastingdienst ook geen zekerheid vooraf meer specifiek over een verkoop binnen drie jaar. De inspecteur kan een reorganisatie op de gewone gronden blijven bestrijden. De bewijslast verschuift dus, maar de noodzaak van een goed gedocumenteerde zakelijke reden verdwijnt niet, en een stevig dossier wordt eerder belangrijker, juist omdat er geen formele ruling meer is om achter te schuilen.
6. Lenen bij je eigen bv: de erfregeling gerepareerd
Een DGA die meer dan € 500.000 van zijn eigen vennootschap heeft geleend, wordt geacht over het meerdere een dividend te ontvangen. Die regel bestaat inmiddels een paar jaar. Waar de huidige tekst niet goed mee omging, was overlijden. Bij geërfde aandelen kunnen reguliere voordelen die binnen 24 maanden na het overlijden worden ontvangen onder voorwaarden buiten box 2 blijven, waarbij de verkrijgingsprijs omlaag gaat. Toegepast op het fictieve dividend over de bovenmatige schuld gaf dat een vreemd resultaat: de uitzondering gold, maar het maximumbedrag van € 500.000 steeg niet mee, zodat het jaar daarna dezelfde schuld opnieuw heffing opleverde.
Die samenloop wordt uitgesloten. Voor nalatenschappen met zowel aandelen als een forse schuld aan de vennootschap betekent dat in de praktijk dat de box 2-heffing over het bovenmatige deel direct verschuldigd kan zijn, in plaats van tussen jaren heen en weer te worden geschoven. Wie een grote rekening-courantschuld bij zijn holding heeft, doet er goed aan dit niet alleen in de jaarlijkse aangifte te bekijken, maar ook in zijn estate planning.
7. Vastgoed: overdrachtsbelasting op de tweede woning naar 7%
Het algemene woningtarief in de overdrachtsbelasting voor woningen die de koper niet zelf als hoofdverblijf gaat gebruiken, daalt van 8% naar 7%. Dat raakt huurwoningen, tweede woningen en vakantiehuizen, en het doel is uitgesproken: beleggen in huurwoningen weer aantrekkelijker maken. Het reguliere tarief van 10,4% voor niet-woningen, het 2%-tarief voor de eigen bewoner en de startersvrijstelling blijven ongewijzigd.
Het timingpunt is voor de hand liggend, maar in de roes van een aankoop makkelijk over het hoofd gezien. Wil je een woning kopen die niet je hoofdverblijf wordt, en kan de overdracht redelijkerwijs na 1 januari 2027 plaatsvinden, dan scheelt dat een vol procentpunt van de koopsom. Op een appartement van € 600.000 is dat € 6.000 voor een paar weken later tekenen bij de notaris.
Twee maatregelen voor woningcorporaties maken dit hoofdstuk compleet: een nieuwe vrijstelling van overdrachtsbelasting voor overdrachten tussen corporaties van vastgoed dat voor diensten van algemeen economisch belang wordt gebruikt, en een uitzondering voor corporaties op de generieke renteaftrekbeperking in de vennootschapsbelasting. Beide zijn sectorspecifiek en raken de particuliere belegger niet.
8. Werkgevers: kilometers, pensioen en de werkkostenregeling
De onbelaste kilometervergoeding stijgt van € 0,23 naar € 0,25, en dat met terugwerkende kracht tot 1 januari 2026, waarmee een eerder beleidsbesluit in de wet komt. Werkgevers zijn niet verplicht het te vergoeden, en wie de verhoging over heel 2026 wil toepassen moet dat wel met het personeel afspreken. Dezelfde € 0,25 geldt voor de aftrekbare reiskosten van ondernemers en voor een paar forfaits in de persoonsgebonden aftrek.
De werkkostenregeling krijgt wat meer lucht: de vrije ruimte over de eerste € 400.000 van de loonsom gaat van 2% naar 2,16%, daarboven blijft het 1,18%. Daar staat tegenover dat de gerichte vrijstelling voor personeelskorting op eigen producten, tot 20% en maximaal € 500 per werknemer per jaar, wordt afgeschaft. Die korting mag nog steeds worden gegeven, maar gaat dan van de vrije ruimte af, en veel werkgevers zullen merken dat de twee wijzigingen elkaar grotendeels opheffen.
De stilste maatregel in dit hoofdstuk kan op termijn de duurste blijken. De aftoppingsgrens voor fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw, € 137.800 in 2026, wordt van 2027 tot en met 2032 niet geïndexeerd. Zes jaar loonstijging trekt een gestaag groeiende groep hogere inkomens boven die grens, en daarboven kan geen pensioen in de tweede pijler of lijfrente in de derde pijler meer met belastingvoordeel worden opgebouwd. Voor de DGA die zijn eigen pensioen regelt, verandert het rekensommetje mee.
9. Internationaal: een step-up bij aankomst, en de 30%-regeling wordt 27%
De meest welkome internationale maatregel herstelt een oude onrechtvaardigheid. Verplaatst een buitenlandse vennootschap haar werkelijke leiding naar Nederland, dan wordt een in het buitenland wonende aandeelhouder met een aanmerkelijk belang hier belastingplichtig in box 2. Tot nu toe gold daarbij de historische kostprijs als verkrijgingsprijs, zodat Nederland ook waardegroei kon belasten die al lang vóór het ontstaan van enig Nederlands heffingsrecht was opgebouwd. Voortaan wordt de verkrijgingsprijs gesteld op de waarde in het economische verkeer op het moment van de verplaatsing, en wordt alleen de waardeverandering daarna nog hier belast. De step-up geldt niet als de aandeelhouder al eerder buitenlands belastingplichtig was voor dat belang, en voor terugkeer naar Nederland komen nog aparte regels. Een goed onderbouwde waardering op de datum van verplaatsing wordt essentieel, want zonder die kun je later niet aantonen welk deel van een winst buiten de Nederlandse heffing valt.
Voor uit het buitenland aangetrokken medewerkers gaan eerder aangenomen wijzigingen nu echt gelden. Vanaf 2027 wordt de 30%-regeling een 27%-regeling en gaan de salarisnormen omhoog. Wie uiterlijk eind 2023 instroomde, behoudt 30% en de oude geïndexeerde normen. Wie in 2024 kwam, gaat wel naar 27% maar houdt de oude salarisnorm. Ook het overgangsrecht voor de partiële buitenlandse belastingplicht, waarmee expats hun buitenlandse vermogen buiten box 3 konden houden, loopt eind 2026 af. Heb je mensen op de regeling in dienst, of zit je er zelf op, dan ziet 2027 er anders uit dan 2026 en hoort de salarisadministratie dat vanaf de eerste maand te laten zien.
Drie punten voor groepen en beleggers. Ten eerste krijgt de wereldwijde minimumbelasting vier binnen de OESO afgesproken veiligehavenregels, die de bijheffing voor een land op nihil stellen als aan de voorwaarden is voldaan, waaronder een vereenvoudigde berekening en een regel voor groepen met een moeder in een land met een gelijkwaardig stelsel, waarbij vooral aan de Verenigde Staten wordt gedacht. Delen daarvan werken terug tot eind 2025. Ten tweede krijgen beleggers die via een buitenlands beleggingsfonds in Nederlandse aandelen zitten een wettelijk recht op teruggaaf van dividendbelasting die vanaf 2027 wordt ingehouden, in navolging van een arrest van de Hoge Raad uit 2024, met vijf jaar om te claimen en drie jaar voor lichamen. Ten derde wordt voor vennootschappen die het valutarisico op een buitenlandse deelneming afdekken en dat resultaat onder de deelnemingsvrijstelling brengen, het deel dat via het renteverschil al in de afdekking was ingeprijsd belast vanaf boekjaren die in 2027 beginnen. Voor afdekkingen die vóór 15 september 2026 waren goedgekeurd of aangevraagd blijft het oude recht gelden tot en met 2027.
10. Wat je vóór 1 januari regelt, en wat je juist laat liggen
Een Belastingplan is een lijst voorstellen tot het parlement heeft gestemd, en details kunnen de komende maanden nog verschuiven. Maar de richting is helder genoeg om op te handelen, en de agenda valt vanzelf in drie groepen uiteen.
Regel het vóór de jaarwisseling als je een bedrijfsfusie of splitsing voorbereidt en zekerheid wilt over een mogelijke verkoop binnen drie jaar, want die mogelijkheid verdwijnt. Controleer of bestaande afdekkingen op buitenlandse deelnemingen vóór 15 september waren goedgekeurd of aangevraagd, want dat bepaalt of je de oude behandeling tot en met 2027 houdt. Zit je op de 30%-regeling, of heb je mensen in dienst die erop zitten, reken dan nu uit wat 27% en de hogere salarisnorm voor de loonstroken van 2027 betekenen, en vergeet niet dat de partiële buitenlandse belastingplicht afloopt. En heb je nog planbare zorgkosten, dan is 2027 het laatste jaar waarin die aftrek bestaat.
Wacht tot na 1 januari als je een woning koopt die je niet zelf gaat bewonen, want de overdrachtsbelasting gaat een punt omlaag. Overweeg hetzelfde bij energiebesparende investeringen van de Energielijst, waar de aftrek stijgt van 40% naar 45,5% voor verplichtingen die in 2027 worden aangegaan. En heb je een optieplan bij een start-up, doe dan vooral niets overhaast: opties die sinds 17 april 2025 zijn toegekend en eind 2026 nog onbelast zijn, kunnen naar de nieuwe regeling, mits de beschikking op tijd wordt aangevraagd.
Tot slot twee structuurvragen in plaats van deadlines. Drijf je een eenmanszaak met een groeiende winst, dan maakt het gestage verdwijnen van aftrekposten het de moeite waard om de vergelijking met een bv opnieuw te maken, met de cijfers van 2027. En ben je een buitenlandse aandeelhouder die overweegt de leiding van een vennootschap naar Nederland te verplaatsen, dan neemt de nieuwe step-up het grootste bezwaar van tafel, mits je de waarde op de verhuisdatum vastlegt. Over allebei denken wij graag met je mee, het liefst voordat de kalender omslaat.