Transfer pricing: wat het is, hoe het werkt en waarom het ertoe doet
Bij elke grensoverschrijdende transactie tussen verbonden ondernemingen komt dezelfde vraag terug: is de gehanteerde prijs wel zakelijk? Transfer pricing, het stelsel van regels rond verrekenprijzen binnen een concern, is voor internationaal opererende bedrijven een van de meest bepalende fiscale thema’s. Het bepaalt hoe winsten over landen worden verdeeld, hoeveel belasting waar verschuldigd is, en of een onderneming risico loopt op naheffingen, boetes of dubbele belasting.
Toch bestaat er veel onduidelijkheid over transfer pricing. Ondernemers denken al snel dat het alleen relevant is voor grote multinationals of voor agressieve belastingstructuren. In de praktijk geldt het voor iedere onderneming die zaken doet met een verbonden partij over de grens. Denk aan een Nederlandse BV die een managementfee betaalt aan een buitenlandse holding, een dochtermaatschappij die inkoopt bij de moeder, of een groepsvennootschap die een merk in licentie geeft aan een zusterbedrijf: stuk voor stuk transacties waarvoor het arm’s-lengthbeginsel geldt.
In dit artikel leggen wij uit wat transfer pricing inhoudt, hoe het in de praktijk werkt en waarom het voor ondernemers belangrijk is. We bespreken het arm’s-lengthbeginsel, de gangbare verrekenprijsmethoden, documentatieverplichtingen, de rol van immateriële activa en de gevolgen als het misgaat. Daarbij besteden we nadrukkelijk aandacht aan de Nederlandse regels, waaronder artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting en de antimismatch-bepalingen die sinds 2022 van kracht zijn.
Inhoudsopgave
3. Transfer pricing-methoden: hoe worden prijzen getoetst?
4. De functieanalyse: functies, activa en risico’s
5. Immateriële activa en het DEMPE-raamwerk
6. Documentatievereisten: master file, local file en landenrapport
7. Transfer pricing in Nederland
8. Bedrijfsherstructureringen en transfer pricing
9. Handhaving, boetes en geschilbeslechting
10. Transfer pricing goed aanpakken
1. Wat is transfer pricing?
Transfer pricing gaat over de prijzen die binnen een concern worden gehanteerd bij onderlinge transacties. Dat kunnen leveringen van goederen zijn, het verlenen van diensten, het gebruik van merken of technologie, maar ook financiële verhoudingen zoals intercompany-leningen. In wezen valt elke commerciële of financiële afspraak tussen groepsvennootschappen onder de reikwijdte van de verrekenprijsregels.
Bij transacties tussen onafhankelijke partijen wordt de prijs bepaald door de markt: vraag en aanbod, onderhandeling en concurrentie. Binnen een concern ontbreken die marktprikkels vaak. Een moeder en haar dochter onderhandelen nu eenmaal anders dan twee partijen die geen band met elkaar hebben. Daardoor bestaat het risico dat intercompany-prijzen niet overeenkomen met wat de markt zou opleveren, met als gevolg dat winsten anders over landen worden verdeeld dan de economische werkelijkheid rechtvaardigt.
De verrekenprijsregels zijn bedoeld om deze winstverschuiving te voorkomen. Zij schrijven voor dat transacties binnen een groep worden geprijsd alsof de betrokken partijen onafhankelijk van elkaar opereren, zodat elk land belasting kan heffen over de economische activiteit die daar daadwerkelijk plaatsvindt. De internationale standaard hiervoor ligt vast in de OESO-richtlijnen voor verrekenprijzen, die in januari 2022 voor het laatst zijn herzien en inmiddels in de wetgeving van meer dan 140 landen zijn verankerd.
2. Het arm’s-lengthbeginsel
De kern van alle verrekenprijsregels is het arm’s-lengthbeginsel, ook wel het zakelijkheidsbeginsel genoemd. Dit beginsel is vastgelegd in artikel 9 van het OESO-modelverdrag en keert terug in vrijwel elk belastingverdrag dat Nederland heeft gesloten. Het houdt in dat gelieerde ondernemingen hun onderlinge transacties moeten prijzen op dezelfde wijze als onafhankelijke partijen dat onder vergelijkbare omstandigheden zouden doen.
Concreet betekent dit het volgende. Als een Nederlandse dochtermaatschappij goederen inkoopt bij haar Duitse moeder, moet de inkoopprijs vergelijkbaar zijn met wat zij zou betalen aan een willekeurige derde leverancier. Brengt een holdingvennootschap een managementvergoeding in rekening bij haar werkmaatschappijen, dan moet die vergoeding in lijn zijn met wat een externe dienstverlener voor vergelijkbare werkzaamheden zou factureren.
Het arm’s-lengthbeginsel beschouwt elke groepsvennootschap als een zelfstandige onderneming. Deze benadering zorgt ervoor dat multinationale groepen en zelfstandige bedrijven op dezelfde markten fiscaal gelijk worden behandeld. Tegelijkertijd voorkomt het dat winsten kunstmatig worden verschoven naar landen met een lager belastingtarief: de winsttoerekening moet de feitelijke verdeling van functies, activa en risico’s volgen.
Waarom niet gewoon een formule gebruiken?
Soms wordt als alternatief voor het arm’s-lengthbeginsel een globale formulaire verdeling voorgesteld: de totale wereldwijde groepswinst verdelen over landen aan de hand van een vaste formule, bijvoorbeeld op basis van omzet, personeel of activa per land. De OESO en haar lidstaten hebben deze aanpak steeds afgewezen. Een dergelijke formule zou per definitie arbitrair zijn, internationaal vrijwel onmogelijk af te stemmen, en geen recht doen aan de specifieke feiten en omstandigheden van individuele transacties. Bovendien zou het leiden tot dubbele belasting zodra landen het niet eens worden over de formule of de gehanteerde parameters.
3. Transfer pricing-methoden: hoe worden prijzen getoetst?
De OESO-richtlijnen kennen vijf verrekenprijsmethoden, verdeeld in twee categorieën. Bij de keuze voor een methode gaat het erom welke het beste past bij de aard van de transactie, de beschikbare vergelijkingsgegevens en de mate waarin gecontroleerde en ongecontroleerde transacties met elkaar te vergelijken zijn.
Traditionele transactiemethoden
- Comparable Uncontrolled Price (CUP)-methode vergelijkt de prijs in een gecontroleerde transactie rechtstreeks met de prijs in een vergelijkbare transactie tussen onafhankelijke partijen. Dit is de meest directe methode en heeft de voorkeur wanneer betrouwbare vergelijkingen beschikbaar zijn. De methode is bijzonder effectief voor grondstoftransacties waarvoor marktprijzen beschikbaar zijn.
- Resale Price Method (RPM) gaat uit van de prijs waartegen een product dat is ingekocht bij een verbonden partij wordt doorverkocht aan een onafhankelijke klant, waarvan vervolgens een passende brutomarge voor de wederverkoper wordt afgetrokken. De methode is het meest geschikt voor distributieactiviteiten waarbij de wederverkoper geen substantiële waarde aan het product toevoegt.
- Cost Plus-methode (CPM) begint bij de kosten van de leverancier in een gecontroleerde transactie en voegt daar een passende opslag aan toe. De methode wordt veel toegepast bij contract manufacturing-arrangementen en intercompany-diensten waarbij de leverancier routinematige functies vervult.
Transactionele winstmethoden
- Transactional Net Margin Method (TNMM) onderzoekt de nettowinst die een belastingplichtige verdient uit een gecontroleerde transactie ten opzichte van een passende basis, zoals kosten, omzet of activa, en vergelijkt deze met de nettowinst van vergelijkbare onafhankelijke ondernemingen. TNMM is een eenzijdige methode: zij toetst uitsluitend de minder complexe partij (de “tested party”). Het is in de praktijk de meest toegepaste methode, omdat nettowinstindicatoren over het algemeen minder gevoelig zijn voor transactieverschillen dan prijzen of brutomarges.
- Transactional Profit Split-methode identificeert de gecombineerde winst uit een gecontroleerde transactie en verdeelt deze over de partijen op basis van hun relatieve bijdragen. De methode is het meest geschikt wanneer beide partijen unieke en waardevolle bijdragen leveren, bijvoorbeeld wanneer elk significante immateriële activa inbrengt, of wanneer de activiteiten dermate geïntegreerd zijn dat een eenzijdige methode de bijdrage van geen van beide partijen betrouwbaar kan isoleren.
Er is geen strikte hiërarchie tussen deze methoden, maar de OESO-richtlijnen geven aan dat traditionele methoden over het algemeen de voorkeur verdienen boven transactionele winstmethoden wanneer beide met gelijke betrouwbaarheid kunnen worden toegepast, en dat de CUP-methode de voorkeur heeft boven alle andere wanneer een vergelijkbare ongecontroleerde transactie kan worden geïdentificeerd.
4. De functieanalyse: functies, activa en risico’s
De basis van elke transfer pricing-analyse is de functieanalyse. Voordat een methode wordt geselecteerd of vergelijkingen worden geïdentificeerd, is het essentieel om te begrijpen wat elke entiteit binnen de groep daadwerkelijk doet: welke functies zij uitoefent, welke activa zij gebruikt en welke risico’s zij draagt. Deze analyse bepaalt de karakterisering van elke entiteit en daarmee het winstniveau waarop zij recht heeft.
Een entiteit die routinematige distributiefuncties vervult, beperkte activa gebruikt en minimale risico’s draagt, wordt gekarakteriseerd als een limited-risk distributor en is gerechtigd slechts een routinemarge te verdienen. Een entiteit die producten ontwikkelt, waardevol intellectueel eigendom bezit, strategische beslissingen neemt en het ondernemersrisico draagt, is gerechtigd tot de residuele winst, het rendement boven de routinevergoeding die wordt betaald aan entiteiten met beperkte functies.
De vijf vergelijkbaarheidsfactoren
De OESO-richtlijnen identificeren vijf factoren die moeten worden onderzocht bij het vergelijken van een gecontroleerde transactie met een ongecontroleerde transactie:
- Contractuele voorwaarden van de transactie, met de erkenning dat het feitelijke gedrag van partijen prevaleert boven schriftelijke overeenkomsten wanneer beide niet consistent zijn
- Uitgeoefende functies, gebruikte activa en gedragen risico’s door elke partij, wat de kern vormt van de functieanalyse
- Kenmerken van het overgedragen goed of de dienst, waaronder fysieke eigenschappen, kwaliteit, beschikbaarheid en volume
- Economische omstandigheden van de partijen en de markt waarin zij opereren, waaronder marktomvang, concurrentie, koopkracht van consumenten en regelgevend kader
- Bedrijfsstrategieën die door de partijen worden nagestreefd, zoals marktpenetratie, productdiversificatie of risicomijding
Risicoanalyse
Risico is een centraal element van de functieanalyse. De partij die een risico beheerst en de financiële capaciteit heeft om dat risico te dragen, is gerechtigd tot het rendement (of verlies) dat met dat risico samenhangt. Een partij die een risico niet beheerst noch draagt, is niet gerechtigd tot enig aandeel in de positieve of negatieve uitkomsten van dat risico. Onder het OESO-raamwerk wordt risico geanalyseerd via een zesstappenproces dat onderzoekt wie economisch significante risico’s identificeert, wie ze contractueel aanvaardt, wie het risico daadwerkelijk beheerst door middel van besluitvorming, en wie de financiële capaciteit heeft om de gevolgen te dragen. Als een partij geen controle heeft over een risico dat zij contractueel aanvaardt, wordt het risico toegewezen aan de partij die zowel controle als financiële capaciteit heeft.
5. Immateriële activa en het DEMPE-raamwerk
Immateriële activa, waaronder octrooien, merken, knowhow, bedrijfsgeheimen, klantrelaties en eigen technologie, zijn vaak de belangrijkste waardedrijvers binnen een multinationale groep. Hoe de opbrengsten uit immateriële activa worden verdeeld over groepsentiteiten is een van de meest betwiste gebieden van transfer pricing.
De OESO definieert een immaterieel actief voor transfer pricing-doeleinden als iets dat geen fysiek actief of financieel actief is, dat in eigendom kan worden gehouden of beheerst voor gebruik in commerciële activiteiten, en waarvoor compensatie zou worden betaald bij overdracht tussen onafhankelijke partijen. Belangrijk is dat deze definitie breder is dan boekhoudkundige of juridische definities: intern ontwikkelde immateriële activa die niet op de balans verschijnen, zoals de cumulatieve waarde van jarenlange marketinguitgaven, kunnen toch relevant zijn voor transfer pricing-doeleinden.
Het DEMPE-raamwerk
De OESO heeft het DEMPE-raamwerk geïntroduceerd om te bepalen welke entiteit binnen een groep recht heeft op de opbrengsten uit immateriële activa. DEMPE staat voor de vijf kernfuncties met betrekking tot immateriële activa:
- Development van het immaterieel actief, zoals product-R&D of merkcreatie
- Enhancement van het immaterieel actief, inclusief verbeteringen en updates in de loop der tijd
- Maintenance van de waarde van het immaterieel actief door kwaliteitscontrole en doorlopende investering
- Protection van het immaterieel actief door juridische maatregelen zoals merkregistratie, octrooiaanvragen en handhaving van IE-rechten
- Exploitation van het immaterieel actief om omzet te genereren, zoals het commercialiseren van een product of het in licentie geven van een merk
Het cruciale inzicht van het DEMPE-raamwerk is dat juridisch eigendom van een immaterieel actief op zichzelf geen recht geeft op het inkomen dat door dat actief wordt gegenereerd. Een entiteit die slechts een merk registreert of juridisch eigenaar is van een octrooi maar geen van de DEMPE-functies uitoefent, is niet gerechtigd tot de residuele winsten. In plaats daarvan is zij slechts gerechtigd tot een voor risico gecorrigeerd rendement op haar financieringsbijdrage, als zij al financiering verstrekt. De entiteit die daadwerkelijk de belangrijke DEMPE-functies uitoefent, de bijbehorende risico’s beheerst en de financiële capaciteit heeft om die risico’s te dragen, is gerechtigd tot de opbrengsten uit het immaterieel actief.
Dit beginsel heeft verstrekkende gevolgen voor structuren waarin intellectueel eigendom wordt gehouden door een shell company in een laagbelaste jurisdictie, terwijl alle ontwikkeling, marketing en strategische besluitvorming elders plaatsvindt. Onder het DEMPE-raamwerk houden dergelijke arrangementen mogelijk geen stand.
6. Documentatievereisten: master file, local file en landenrapport
De OESO beveelt een gestandaardiseerde drielaagse benadering van transfer pricing-documentatie aan, die door de meerderheid van de jurisdicties wereldwijd is overgenomen:
Master file
Het groepsdossier (master file) biedt een overzicht op hoog niveau van de mondiale bedrijfsactiviteiten, organisatiestructuur, immateriële activa, intercompany-financieringsactiviteiten en het algehele transfer pricing-beleid van de multinationale groep. Het is bedoeld om belastingautoriteiten een volledig beeld te geven van de mondiale activiteiten van de groep en hoe het transfer pricing-beleid daarin past. Het groepsdossier bestrijkt vijf categorieën: organisatiestructuur, bedrijfsbeschrijving, strategie voor immateriële activa, intercompany-financieringsactiviteiten, en de financiële en fiscale posities van de groep.
Local file
Het lokale dossier (local file) vult het groepsdossier aan met gedetailleerde informatie over materiële intercompany-transacties waarbij de lokale entiteit betrokken is. Het omvat een beschrijving van de lokale entiteit, haar managementstructuur en bedrijfsstrategie, een gedetailleerde functieanalyse voor elke materiële intercompany-transactie, de geselecteerde transfer pricing-methode en de motivering van die selectie, de vergelijkbaarheidsanalyse inclusief benchmarkgegevens, en de financiële informatie die is gebruikt bij toepassing van de geselecteerde methode. Het lokale dossier is waar de inhoud van de transfer pricing-analyse zich bevindt.
Landenrapport (country-by-country report)
Het landenrapport (CbCR) bevat geaggregeerde informatie per jurisdictie over de mondiale verdeling van inkomen, betaalde belastingen, werknemers en materiële activa. Het is bedoeld voor risicoanalyse op hoog niveau door belastingautoriteiten en mag uitdrukkelijk niet worden gebruikt als basis voor transfer pricing-correcties of formulaire verdeling. Het CbCR is verplicht voor multinationale groepen met een geconsolideerde groepsomzet van ten minste EUR 750 miljoen.
7. Transfer pricing in Nederland
Nederland was een vroege adopter van het arm’s-lengthbeginsel en hanteert een transfer pricing-raamwerk dat nauw aansluit bij de OESO-richtlijnen. Het Nederlandse raamwerk is gebouwd op verschillende wettelijke grondslagen.
Artikel 8b Wet op de vennootschapsbelasting 1969
Het arm’s-lengthbeginsel is in het Nederlandse recht gecodificeerd via artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet VPB), met ingang van 1 januari 2002. Dit artikel bepaalt dat wanneer voorwaarden die zijn overeengekomen tussen gelieerde lichamen afwijken van die welke door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, de winst wordt bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden gelden. Artikel 8b bevat tevens een documentatieverplichting: belastingplichtigen moeten in hun administratie gegevens opnemen waaruit blijkt hoe de verrekenprijzen tot stand zijn gekomen en dat deze consistent zijn met wat onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen.
De antimismatch-regels van 2022
Per 1 januari 2022 heeft Nederland de artikelen 8ba tot en met 8bd van de Wet VPB geïntroduceerd, die het Nederlandse transfer pricing-landschap ingrijpend hebben gewijzigd. Deze bepalingen zijn ontworpen om situaties van dubbele niet-heffing te voorkomen die konden ontstaan door eenzijdige neerwaartse transfer pricing-correcties.
Op grond van de nieuwe regels is een neerwaartse aanpassing van de Nederlandse belastinggrondslag slechts toegestaan voor zover de corresponderende opwaartse aanpassing wordt betrokken in de belastingheffing bij de gelieerde partij in de andere jurisdictie. De bewijslast rust op de Nederlandse belastingplichtige, die moet aantonen dat de tegenpartij inderdaad over het hogere bedrag wordt belast.
Documentatieverplichtingen
Artikel 29g van de Wet VPB implementeert het drielaagse documentatieraamwerk van de OESO voor Nederland. Multinationale groepen met een geconsolideerde groepsomzet van ten minste EUR 50 miljoen zijn verplicht zowel een groepsdossier als een lokaal dossier bij te houden. Deze documenten moeten in het Nederlands of Engels worden opgesteld en gereed zijn op het moment dat de aangifte vennootschapsbelasting wordt ingediend. De landenrapportageverplichting geldt voor groepen die de drempel van EUR 750 miljoen overschrijden.
8. Bedrijfsherstructureringen en transfer pricing
Bedrijfsherstructureringen, de grensoverschrijdende reorganisatie van functies, activa en risico’s binnen een multinationale groep, zijn een van de meest complexe gebieden van transfer pricing. Voorbeelden zijn de omzetting van een volwaardige distributeur in een limited-risk distributor, de transformatie van een fabrikant in een contract manufacturer, de centralisatie van intellectueel eigendom in een enkele groepsentiteit, of de consolidatie van inkoop, logistiek of backoffice-functies in een shared service centre.
De OESO-richtlijnen vereisen dat het arm’s-lengthbeginsel niet alleen wordt toegepast op de transacties na de herstructurering, maar ook op de herstructurering zelf. Als waarde wordt overgedragen van de ene entiteit naar de andere, bijvoorbeeld door het opgeven van een winstgevend distributierecht of de overdracht van klantrelaties, moet de overdragende entiteit een arm’s-lengthvergoeding ontvangen voor de waarde die zij opgeeft.
Winstpotentieel en compensatie
Het concept “winstpotentieel” speelt een belangrijke rol. Wanneer een volwaardige distributeur met een geschiedenis van hoge en wisselende rendementen wordt omgezet in een limited-risk entiteit die een vaste routinemarge verdient, rijst de vraag of de distributeur voldoende wordt gecompenseerd voor het winstpotentieel dat zij prijsgeeft. De analyse hangt af van de realistisch beschikbare opties voor de geherstructureerde entiteit: zou een onafhankelijke onderneming in dezelfde positie dezelfde voorwaarden hebben geaccepteerd, of zou zij schadevergoeding of andere compensatie hebben bedongen?
9. Handhaving, boetes en geschilbeslechting
Belastingautoriteiten wereldwijd hebben hun focus op transfer pricing de afgelopen jaren aanzienlijk geïntensiveerd. Controleactiviteiten zijn uitgebreid, gespecialiseerde transfer pricing-afdelingen zijn opgericht, en informatie-uitwisseling tussen jurisdicties is toegenomen, met name door de automatische uitwisseling van landenrapporten.
Controletriggers
Veelvoorkomende controletriggers zijn aanhoudende verliezen bij een lokale entiteit ondanks winstgevendheid op groepsniveau, significante intercompany-transacties ten opzichte van de totale omzet, betalingen aan gelieerde partijen in laagbelaste jurisdicties, recente bedrijfsherstructureringen, en inconsistenties tussen het lokale dossier en andere publiek beschikbare informatie. Landenrapporten geven belastingautoriteiten een overzicht op hoog niveau van de mondiale winstallocatie van de groep, dat zij gebruiken om mogelijke mismatches te identificeren tussen waar winsten worden gerapporteerd en waar waarde wordt gecreëerd.
Boetes
De meeste jurisdicties leggen boetes op bij transfer pricing-correcties, met name wanneer de belastingplichtige heeft verzuimd adequate documentatie bij te houden. In Nederland is het algemene boetekader voor de vennootschapsbelasting van toepassing. Wanneer een belastingplichtige behoorlijke gelijktijdige documentatie heeft bijgehouden en kan aantonen dat redelijke inspanningen zijn geleverd om aan het arm’s-lengthbeginsel te voldoen, zijn boetes over het algemeen vermijdbaar. Het ontbreken van documentatie kan echter de bewijslast naar de belastingplichtige verschuiven en blootstelling aan zowel correcties als boetes tot gevolg hebben.
Dubbele belastingheffing en geschilbeslechting
Een van de meest ingrijpende gevolgen van een transfer pricing-correctie is het risico van dubbele belastingheffing. Als het ene land de belastbare winst van een groepsentiteit verhoogt door een verrekenprijs opwaarts te corrigeren, en het corresponderende land geen overeenkomstige neerwaartse correctie doorvoert, wordt hetzelfde inkomen in beide landen belast. Om dit aan te pakken bevatten de meeste belastingverdragen een onderlinge overlegprocedure (MAP), waarbij de bevoegde autoriteiten van de twee landen onderhandelen om dubbele belastingheffing weg te nemen. Recenter hebben het EU-Arbitrageverdrag en het Multilaterale Instrument (MLI) bindende arbitragemechanismen geïntroduceerd om te waarborgen dat geschillen binnen vastgestelde termijnen worden opgelost.
10. Transfer pricing goed aanpakken
Transfer pricing is meer dan een complianceverplichting. Het raakt de kern van hoe een internationaal opererend bedrijf zijn activiteiten inricht, zijn middelen verdeelt en zijn fiscale positie bewaakt. Ondernemingen die hier tijdig en gedegen mee aan de slag gaan, staan bij een controle sterker, lopen minder risico op dubbele belasting en behouden meer commerciële speelruimte.
De belangrijkste uitgangspunten op een rij:
- Elke intercompany-transactie moet at arm’s length worden geprijsd, onderbouwd door een functieanalyse die de uitgeoefende functies, gebruikte activa en gedragen risico’s van elke partij nauwkeurig weerspiegelt
- De entiteit die de belangrijke waardecreërende functies uitoefent, de bijbehorende risico’s beheerst en de financiële capaciteit heeft om die risico’s te dragen, is gerechtigd tot de residuele winst
- Documentatie moet gelijktijdig worden opgesteld, wat betekent dat deze gereed moet zijn op het moment dat de transactie wordt aangegaan of, uiterlijk, bij het indienen van de belastingaangifte
- Transfer pricing-beleid moet consistent zijn met het feitelijke gedrag van de partijen, niet slechts met wat in intercompany-overeenkomsten is vastgelegd
- Bedrijfsherstructureringen die waarde overdragen tussen groepsentiteiten vereisen arm’s-lengthcompensatie voor de overgedragen waarde
- Advance pricing agreements (APA’s) kunnen zekerheid bieden voor materiële of complexe intercompany-arrangementen
Iedere situatie is anders. Welke aanpak het beste past hangt af van de specifieke feiten, de betrokken landen, het type intercompany-transacties en de commerciële doelstellingen van de groep. Transfer pricing-arrangementen moeten de economische werkelijkheid weerspiegelen en worden onderbouwd met gedegen, tijdig opgestelde documentatie.
Taxboutiq is gespecialiseerd in transfer pricing, internationale fiscale structurering en grensoverschrijdend advies voor ondernemers en bedrijven. Of het nu gaat om het opzetten van een eerste intercompany-arrangement of het herzien van een bestaand verrekenprijsbeleid, wij werken als onderdeel van uw team aan oplossingen die zowel fiscaal houdbaar als commercieel effectief zijn.